Meedenken over jeugdhulp

Je moet je mening kunnen geven over de jeugdhulp die je krijgt.

Jongen zit op bed en kijkt voor zich uit

Kinderen en hun ouders vinden dat ze niet voldoende invloed hebben op de jeugdhulp (eerst jeugdzorg) die ze krijgen. Ze worden te weinig bij de jeugdhulp betrokken. Ze vinden het ook moeilijk om te zeggen dat ze niet tevreden zijn over de hulp. En als ze een klacht hebben, weten ze vaak niet goed waar ze die naartoe moeten sturen en hoe het proces verloopt. 

Dat komt vooral doordat gemeenten vragen om een klacht naar de hulpverlener te sturen als het gaat om de hulpverlening zelf, en naar de gemeente als het gaat om de toegang tot hulpverlening. Dat onderscheid is niet duidelijk voor kinderen en ouders. Gemeenten vertellen bovendien niet altijd dat kinderen en ouders recht hebben op onafhankelijke cliëntondersteuning en een vertrouwenspersoon. Dat alles maakt het lastig voor kinderen en ouders om mee te denken over jeugdhulp en hun mening erover te geven. Doordat ze maar weinig invloed hebben op de jeugdhulp, zijn de kinderen en hun ouders er niet tevreden over.

Wat vindt de Kinderombudsman?

Kinderen en hun ouders moeten hun mening kunnen geven over de jeugdhulp. Je mening geven is belangrijk, want alleen dan heb je invloed op de hulp die je krijgt. Kinderen en hun ouders moeten daarvoor goede informatie krijgen, en zij moeten ook vaker en betere informatie krijgen over de rechten die zij hebben. Belangrijk is dat gemeenten en andere organisaties luisteren naar kinderen en hun ouders. Zeker aan kinderen en jongeren moet altijd worden gevraagd wat zij ergens van vinden. Dat is bij de aanvraag zo en bij de jeugdhulpverlening zelf. Een vast aanspreekpunt voor kinderen en hun ouders zou een goed begin zijn. Dat is iets waarvoor gemeenten, wijkteams en zorgaanbieders kunnen zorgen.

De gemeente en jeugdhulpaanbieders moeten kinderen en hun ouders actief vragen naar hun ervaringen: Hoe gaat het? Wat vind je van de hulpverlening? En wat vind je van het contact met de hulpverlening? Kinderen en hun ouders moeten bovendien weten dat ze recht hebben op een onafhankelijke cliëntondersteuner en vertrouwenspersoon. En dat ze ondersteuning kunnen krijgen als ze een klacht willen sturen. De Kinderombudsman pleit voor één loket, dus een centraal aanspreekpunt waar kinderen en hun ouders naartoe kunnen met bijvoorbeeld klachten over hulpverlening.

De vraag om jeugdhulp groeit, maar het aanbod daalt

Als kinderen en ouders meer invloed hebben op de jeugdhulp die zij krijgen, dan wordt die hulp beter. Met betere hulp worden hun problemen niet nog groter en hoeven zij niet op zoek naar andere hulp. Dan worden dus ook de wachtlijsten voor jeugdhulp niet nog groter. Dat is gunstig voor hen én voor de jeugdhulp, want zoals het nu gaat, wordt die steeds ingewikkelder en duurder. Er zijn meer mensen die om hulp vragen dan de jeugdhulp aankan. Dat komt onder meer door een tekort aan personeel.

Niet óver, maar mét kinderen en ouders praten

Jeugdhulp is voor kinderen en jongeren tot 18 jaar. En ook voor hun ouders als die ondersteuning nodig hebben bij de opvoeding. De gemeente moet ervoor zorgen dat die hulp er is. Dat staat in de Jeugdwet. Dat de Rijksoverheid taken onder gemeenten en andere organisaties verdeelt, heet decentralisatie. Een belangrijk doel van deze decentralisatie was dat de hulp dichter bij de inwoners zou komen, en dat die meer invloed op de kwaliteit van de zorg zouden krijgen. In de Jeugdwet staat dat participatie belangrijk is. Dat betekent dat mensen betrokken zijn bij beslissingen en dat ze meedenken en meepraten over bijvoorbeeld oplossingen voor problemen die er zijn. Het betekent ook dat er niet óver kinderen en ouders wordt gepraat, maar mét hen. Dus ook over de hulp en ondersteuning die zij nodig hebben. Wat zij zeggen moet serieus genomen worden. Dat gebeurt nu niet altijd.

Wat zegt het Kinderrechtenverdrag?

Het belang van kinderen moet vooropstaan bij alle maatregelen die kinderen aangaan, dat staat in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag. Het is ook daarom belangrijk dat de hulpverlening weet hoe kinderen de hulpverlening ervaren. Dat komt ook terug in artikel 12, waarin staat dat ieder kind het recht heeft om te vertellen wat het vindt van zaken die hem of haar aangaan. Die mogelijkheid moet er daarom zijn. Kinderen hebben bovendien het recht op informatie om hun welzijn, gezondheid en ontwikkeling te verbeteren (artikel 17). Zij moeten daarom begrijpelijke informatie krijgen om te kunnen meepraten over besluiten die over hen gaan. Want zonder die informatie kunnen zij zich daar niet goed een mening over vormen.
 

Meer weten?

Wil je meer weten over de rechten die kinderen en hun ouders hebben als zij belangrijke beslissingen moeten nemen over hulp? Of hoe gemeenten en andere organisaties hen daarbij moeten betrekken en of zij dat wel goed doen? Lees dan hier het rapport Participatie vanaf de zijlijn.