Artikel 37: Onmenselijke straffen en opsluiting

Verdragstekst

De landen die het Kinderrechtenverdrag hebben ondertekend, zorgen hiervoor:

  1. Het is verboden een kind te martelen of een andere onmenselijke straf te geven. Voor iets strafbaars dat iemand als kind heeft gedaan, krijgt diegene nooit de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf zonder de kans om eerder vrij te komen.
  2. Het is verboden een kind zomaar of zonder goede reden op te sluiten. Als een kind toch wordt aangehouden, vastgehouden of opgesloten, dan moet dat volgens de wet gebeuren. Dit mag alleen als het echt niet anders kan en zo kort mogelijk.
  3. De overheid behandelt een kind dat is opgesloten altijd menselijk en met respect. Daarbij houdt zij rekening met wat een kind van die leeftijd nodig heeft. Kinderen die zijn opgesloten, zitten apart van volwassenen, behalve als het beter is voor het kind om bij volwassenen te zitten. Ook heeft elk kind het recht om contact te houden met de eigen familie, bijvoorbeeld via brieven of bezoek. Alleen in bijzondere situaties mag dat anders zijn.
  4. Een kind dat is opgesloten, heeft recht op hulp van een advocaat of iemand anders die kan helpen. Het kind mag altijd aan een rechter of een andere eerlijke en onafhankelijke instantie vragen of de opsluiting wel mag volgens de wet. De rechter moet daar snel een beslissing over nemen.

Kern

Je mag kinderen hun vrijheid niet zomaar afnemen. Je mag hen nooit martelen of op een andere gemene manier behandelen of straffen. Kinderen mogen nooit de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf krijgen.

Toelichting

Het is verboden om kinderen expres erge pijn te doen als straf, of om ze op een andere onmenselijke, gemene manier te behandelen of straffen. Kinderen mogen nooit de doodstraf of een levenslange gevangenisstraf krijgen. Heeft een kind iets strafbaars gedaan? Dan mag je het alleen gevangenzetten als het echt niet anders kan en zo kort mogelijk. Daarover moet altijd een rechter beslissen, of een onafhankelijke commissie.

Dit artikel geldt niet alleen voor het jeugdstrafrecht, maar ook voor kinderen die om een andere reden met opsluiting te maken krijgen:

  • jeugdhulp op een locatie die ze niet mogen verlaten;
  • een behandeling voor geestelijke problemen in een instelling die ze niet mogen verlaten;
  • opsluiting van kinderen uit een ander land, die niet in Nederland mogen blijven.

Ieder kind heeft recht op hulp van een advocaat of iemand anders die kan helpen. Bovendien mag je kinderen niet samen met volwassenen opsluiten, dat mag alleen als dat beter is voor het kind. Alle kinderen die zijn opgesloten, hebben recht op een goede behandeling, onderwijs en contact met hun familie.

Soms toch volwassenenstrafrecht voor kinderen van 16 en 17 jaar

Nederland heeft aparte afspraken gemaakt over dit artikel van het Kinderrechtenverdrag. Heeft een kind van 16 of 17 iets heel ernstigs gedaan? Dan kan het van de rechter een straf voor volwassenen krijgen. In de wet staat wanneer dat kan.

Ook kan Nederland niet beloven dat kinderen altijd apart van volwassenen worden opgesloten. Soms is daar volgens de overheid geen ruimte voor.

In artikel 40: Jeugdstrafrecht lees je meer over het jeugdstrafrecht.